n de VOC niet, wat best opvallend

n hoeverre had het bestuur invloed? Op bestuurlijk vlak is er wat misgegaan voor de VOC. De boekhouding is een puntje van kritiek bij de VOC.  Bij de VOC in Nederland was er geen gemeenschappelijke financiële administratie, dus iedere kamer had een eigen boekhouding. Aan het einde van ieder boekjaar werden de resultaten van de zes kamers op één balans samengebracht. Dit systeem zou tekort schieten en de bewindhebbers onvoldoende informatie verschaffen.Op het eiland moest een voorzichtige politiek bedrijven, om de onrust tegen de bevolking te vermijden. Dat lukte niet onder het bewind van Petrus Vuyst (1726-1729) en Diederik van Domburgh (1733-1736). Onder de leiding van deze twee mannen brak er binnen het koninkrijk Kandy op het eiland Ceylon een opstand en rebellie uit. Daarnaast brak in 1760 ook nog de oorlog uit en dat was in eerste instantie zeer ongunstig voor de Compagnie, die niet was opgewassen tegen de tactiek van de tegenstanders. Pas na 6 jaar lukte het om een vredesverdrag te ondertekenen, maar in 1782, tijdens de Vierde Engelse oorlog, slaagden de Engelsen om het eiland te veroveren waardoor de Compagnie niet meer kon handelen op het eiland.De smokkel van het personeel op de schepen heeft er ook voor gezorgd dat de VOC aardig wat geld is kwijtgeraakt. De werknemers aan boord van de schepen van de VOC mochten weliswaar één kist voor hun eigen rekening nemen, maar de strenge regels werden op grote schaal ontdoken. Vooral de hogere functionarissen hadden in deze handel een streepje voor: zij beschikten over een uitgebreid netwerk in Azië, wisten zich beschermd door familieleden op hoge functies en konden zo de meest winstgevende handeltjes naar zich toe trekken.  Een voorbeeld van een grote smokkel is Rijckloff van Goens. Hij was twee jaar in dienst als opperkoopman in het kasteel in Batavia en verdiende 2200 gulden per jaar, maar toch wist hij in deze twee jaar een vermogen op te maken van honderdduizend gulden, wat zeker niet legaal is verdiend. Normaal gesproken zou je als bestuur zijnde dit soort smokkel hard aanpakken, maar dat deed de VOC niet, wat best opvallend is en eigenlijk ook best wel slecht.Ook was er sprake van legale en illegale handel in opium tussen Bengalen en China, met Batavia als tussenstop. Opium was waardevol en in kleine pakketten eenvoudig te verschepen en verbergen aan boord van de schepen. De smokkel was een doorn in het oog voor de VOC, aangezien de opiumsmokkel de eigen handel verstoorde. De VOC verkocht opium zowel op Java zelf als in Batavia aan Chinese handelaren die het weer naar China vervoerden.Ook moesten na afloop van de Vierde Engelse oorlog de vrije vaart van de Brits Oost-Indische Compagnie in de Oosterse zeeën worden toegestaan, en hoewel dat niet direct leidde tot een massale ‘smokkel’ in kruidnagel door Engelse schepen, maar na enkele jaren waren er toch Engelse kooplieden die er met deze specerij van door gingen.Door het bestuur werd er natuurlijk ook oplossingen gezocht om de schuld die de VOC had, af te lossen. De Staten voelde er niks voor om zich voor zo’n groot bedrag garant te stellen. De oplossing leek er te zijn: houders van recepissen van anticipatie-penningen konden deze omwisselen tegen onopeisbare obligaties, maar met bijbetaling van de helft van het bedrag der recepis. Volgens deze regeling werd een bedrag 7,5 miljoen gulden aan obligaties uitgegeven. Bovendien schoot de stad Amsterdam te hulp door het kort krediet ten bedrage van 5 miljoen gulden dat aan de VOC door de Wisselbank was verleend, voor haar rekening te nemen en op gelijke wijze in een obligatielening om te zetten. Hierdoor lukte het eventjes om het vol te houden, maar de VOC stond er uitermate slecht voor. De schuldenlast was moeilijk om te dragen, de VOC had een slechte naam gekregen bij het gewest Holland en waren de vredesonderhandelingen ook uitermate ongunstig voor de VOC.   Wat hadden oorlog en conflictjes te maken met de ondergang?Op de kust van Coromandel, hadden de Nederlandse kooplieden te maken met kooplieden uit andere landen, zoals Engeland, Frankrijk en Denemarken. Uiteindelijk werd het gebied veroverd door de Engelsen, waardoor de Nederlandse kooplieden hier weinig meer te zeggen hadden en het dus met de handel ook steeds slechter werd. Op een gegeven moment maakten de Engelsen een eind aan de aanwezigheid van de VOC.De VOC had ook een vestiging in Malabar, een langgerekt kunstgebied in India. Omdat Malabar zo’n langgerekt kunstgebied was, was het heel gemakkelijk om de monopoliecontracten te omzeilen. De dominante positie van de VOC kwam in Malabar na 1730 in gevaar door de opkomst van het rijk van Travancore. Toen dat gevaar grotendeels bezworen was, kwam er in 1766 weer een nieuwe bedreiging, Haidar Ali, de vorst van Mysore, uit het achterland van Malabar. Hierdoor liep de handel minder goed dan dat het eerst was, wat weer niet goed was voor de Nederlandse positie in Malabar. Toen de Britten in 1795 Cochin, waar het plaatselijke hoofdkwartier van de VOC stond, insloten, was het dan ook snel gedaan met het verzet van de VOC waardoor er weer een gebied verloren ging aan de Britten.Ook was er een conflict op Kaap de Goede Hoop. Het aantal oorspronkelijke veehouders van het gebied, genaamd de Khoikhoi, of zoals de Nederlanders ze noemen, de Hottentotten, liep rond 1770 sterk in aantal terug vanwege epidemieën en werden verweven naar de kwalitatief mindere weidegronden.  In het verdere achterland woonden vooral Bosjesmannen, een jagers – en verzamelaarsvolk, waarvan de Khoikhoi’s  weinig te duchten hadden. Omstreeks 1770 bereikten de meest vooruitgeschoven Khoikhoi’s de voorposten van de Xhosa, een Bantu-volk zie zich in zuidelijke richting bewoog. Het Bantu-volk hield zich ook bezig met de veeteelt en zodoende kwamen deze twee volkeren met elkaar in gevecht, wat natuurlijk slecht was voor de VOC, want hierdoor gingen er steeds minder producten naar de VOC en leverde het steeds minder winsten op.In 1795 kwam er een eind aan de Nederlandse kolonie aan de Kaap. In dat jaar was Nederland als Bataafse Republiek aan de kant van Frankrijk geraakt. De Britten waren altijd beducht voor de Franse expansie, waar dan ook ter wereld. Dit betekende dan ook dat de Britten de Kaap hadden veroverd van de Republiek.De VOC had dus ook een aantal kantoren op Bengalen. Op Bengalen waren de Britten de belangrijkste concurrenten voor de VOC. Doordat de koning van Bengalen zich meer en meer als een onafhankelijke vorst begon te gedragen, ging hij ook zonder toestemming forten afbreken, kwam het tot een openlijke oorlog. In 1757 wonnen de Britten deze oorlog, mede door het overlopen van de Bengaalse legeraanvoerder. Voor de VOC betekende dit een afbrokkeling van haar positie, omdat zij nu voor haar handel afhankelijk was van de Britten. In 1795 maakten de Britten een einde aan de aanwezigheid van de VOC in Bengalen.De VOC wou graag de greep houden op het kruidnagelmonopolie in Ambon, maar op den duur bleek het dat de Compagnie de concurrenten niet konden weren en buiten de deur sluiten. Omstreeks 1770 wisten Fransen het gebied binnen te dringen en kruidnagelplantjes buit te maken.De VOC had ook een vestiging in Malabar, een langgerekt kunstgebied in India. Omdat Malabar zo’n langgerekt kunstgebied was, was het heel gemakkelijk om de monopoliecontracten te omzeilen. De dominante positie van de VOC kwam in Malabar na 1730 in gevaar door de opkomst van het rijk van Travancore. Toen dat gevaar grotendeels bezworen was, kwam er in 1766 weer een nieuwe bedreiging, Haidar Ali, de vorst van Mysore, uit het achterland van Malabar. Hierdoor liep de handel minder goed dan dat het eerst was, wat weer niet goed was voor de Nederlandse positie in Malabar. De commerciële basis van de VOC in Malabar werd dan ook stopgezet en werden er pogingen gedaan om de basis te verkopen, maar deze mislukten. Toen de Britten in 1795 Cochin, waar het plaatselijke hoofdkwartier van de VOC stond, insloten, was het dan ook snel gedaan met het verzet van de VOC waardoor er weer een gebied verloren ging aan de Britten.  Hoe waren de financiën?De financiële positie van de VOC was al niet te best. De bewindhebbers waren er gewoon om enige tijd voor de veilingen kortlopende kritieken op te nemen om de reis naar Azië te kunnen financieren. Deze gelden werden normaal gesproken uit de opbrengst der veilingen terugbetaald, maar het werd meer en meer een gebruik om de gelden onder de VOC te laten. Men ontving een aantrekkelijke rente en kon het geld met een termijn van zes weken opvragen. Maar toch kwam de VOC vrijwel onmiddellijk in de financiële problemen na het uitbreken van de oorlog. Hierdoor had de VOC een schuld van 18 miljoen gulden aan anticipatiegelden. Na twee jaar was de schuld nog steeds 18 miljoen gulden aan anticipatiegelden en 7,5 miljoen gulden aan langlopende kredieten, de meeste in de vorm van onopeisbare obligaties. Bij de monopolieproducten zoals kruidnagel, kaneel, nootmuskaat  en foelie had de VOC natuurlijk een grotere greep op de markt, maar ook hier waren beperkingen. De Compagnie kon de prijzen niet al te hoog stellen, want anders  zou dat de smokkel kunnen aanwakkeren en daardoor speculatie ontstaan. Voor de kruidnagel had de commerciële politiek tot gevolg dat de omvang van de aanvoer daalde, en dat zorgde er weer voor dat totale consumptie in Europa verminderde. Ook de prijs voor kruidnagel schoot omhoog vanwege schaarste. In 1740 werden de bewindhebbers gedwongen om de vaste prijs van 3,75 gulden per pond te laten vallen. De prijzen schoten omhoog en bereikten het niveau van 6,75 gulden per pond. Hoewel de productie zich ten slotte wist te herstellen, keerde de consumptie in Europa niet meer terug op het oude niveau. In 1700 kon er jaarlijks voor ongeveer 350.000 pond aan kruidnagel worden verkocht, was dit na 1760 slechts 240.000 pond per jaar.De oogsten van nootmuskaat en foelie bleven lange tijd na 1700 voldoende om de Europese markt te voorzien, maar daar kwam na 1778 een plotselinge verandering in. In een natuurramp, een geweldig grote orkaan, werden de nootmuskaatbomen vernield en onmiddellijk rezen de prijzen. Voor een pond nootmuskaat werd niet langer 2,80 gulden betaald maar 6,40 gulden en de prijs voor een pond foelie steeg ook, van 6,40 gulden naar 10 gulden. Ook met de kaneel kwam de VOC in problemen. De textiel begon ook steeds meer af te nemen vanaf 1775. In dat jaar kreeg de Engelse Oost-Indische Compagnie definitief de overhand in Bengalen, waar de textiel werd gemaakt. Hierdoor moest de VOC de invoer van de Indiase textiel vergroten. Het was een buitengewone ontwikkeling, mede veroorzaakt door de prijsstijging van stoffen in India. En omdat verkoopprijzen op de veilingen de inkoopprijzen niet volgden kwamen de winstmarges onder druk. Na de Vierde Engelse Oorlog zou de textielhandel van de Compagnie een sterke terugval vertonen. De Japanse overheid bond de invoer van goederen in 1685 aan een limiet, waardoor de Compagnie voor een geringer bedrag aan goud en koper kon inkopen. Daarnaast werd door een verlaging van het goudgehalte in de gouden kobangs de uitvoer van deze munt steeds onvoordeliger. Hierdoor werd de handel in goud in 1752 dan ook geheel gestaakt. Lange tijd kon koper het goud vervangen samen met producten als katoen en zijde en specerijen als suiker, peper en katoengaren, maar naarmate de tweede helft van de 18e eeuw volgde, kon de VOC-vestiging op Batavia zich steeds minder aan de beperkte maatregelen voldoen. Een oorzaak daarvan was voornamelijk dat het steeds moeilijker werd om producten in Japan te verkopen, omdat Japan zijn eigen nijverheid beschermde en stimuleerde, maar ook de afzetmogelijkheden van koper in India namen af.Als je kijkt naar de uitgaven en inkomsten, is het best wel opmerkelijk dat de VOC al vroeg in problemen kwamen met het geld.  Het eerste verlies over een periode van minimaal 9 jaar was in het laatste decennia, van 1689-1700. Dat verlies was 10.300.000 miljoen euro. Sindsdien heeft de VOC geen enkele keer gehad dat ze een over een heel decennia met winst afsloten (het laatste decennia van 1791- niet in opgenomen). In het decennia van 1751-1760 was het verlies het kleinst van alle verliezen als je het in decennia bekijkt, namelijk 8.100.000 miljoen euro. De laatste twee decennia werden de verliezen alleen maar hoger.  Het decennia na de 8.100.000 miljoen euro verlies, dus 1761-1770, was het verlies 17.800.000 euro. Het decennia daarop was het verlies 30.100.000 euro en het laatste decennia dat werd meegerekend was 50.400.000 euro, verreweg het grootste verlies dat de VOC geleden heeft.De oorlog met Engeland heeft de VOC ook veel geld gekost. Omdat de malaria uitbrak in Batavia, was het zo dat van de 1150 soldaten die gelegerd waren, er slechts 187 soldaten gezond genoeg waren om de stad daadwerkelijk te beschermen.in 1779 verzocht de gouverneur-generaal van de VOC om steun om te stad te beschermen en hiervoor werd verwacht dat de overheid te hulp zou moeten komen. Maar de Staten-Generaal hebben nooit troepen uitgezonden naar Azië. De Compagnie heeft in 1781 getracht in het tekort aan soldaten te voorzien door het inhuren van Zwitserse en Duitse regimenten, in totaal ongeveer 2800 soldaten. Vijf jaar later, in 1786, volgden er bijna nog 2000 soldaten, van de hertog van Württemburg. De huur van deze soldaten heeft er voor gezorgd dat de VOC aardig wat geld is kwijtgeraakt alleen al om de stad Batavia te beschermen tegen de Engelse soldaten.                       Hoe waren de omstandigheden op het schip en hoeveel mensen kwamen er in de loop van de jaren erbij?Ook ziekte op de schepen heeft een grote rol gespeeld dat de VOC ten onder ging. In de jaren 1730-1740 was het sterfte percentage van de uitgaande schepen ongeveer 13% en van de jaren 1760-1780 was het sterfte percentage 11 tot 15%, waarbij de vlektyfus waarschijnlijk de meeste slachtoffers mede mogelijk had gemaakt. Het sterftecijfer was in Azië al hoog geweest, maar steeg na 1700 omdat in Batavia de hygiënische situatie steeds slechter werd, wat voornamelijk kwam door grondverschuivingen en door de ongecontroleerde uitbereiding van de suiker cultuur in de omgeving van de stad. Maar in 1733 was er in Batavia een dramatische stijging van het sterftecijfer. Het was een plotselinge omslag en ook daarna bleef de sterftecijfer voor nieuwkomers in de stad bijzonder hoog. Ook de kans dat een soldaat bleef leven was niet zo groot. Als je kijkt naar de 370 militairen die in 1775 met acht Oost-Indiëvaarders in Batavia waren aangekomen, waren er binnen twee jaar 80% van de 370 militairen gestorven. Tussen 1733 en 1795 zijn zo’n 85.000 VOC-dienaren aan malaria in Batavia overleden, wat ongeveer 20% van het aantal opvarenden van de uitgaande schepen in deze jaren was.De VOC kwam in een vicieuze cirkel terecht, vanaf 1750 ging het personeelsbestand in Azië steeds verder achteruit. Dat geeft aan de Compagnie ondanks het enorme aantal vertrekkers uit Nederland en het dalend aantal repatrianten niet langer mogelijk was om in de verliezen te voorzien. De VOC raakte in een vicieuze cirkel.  Het tekort aan matrozen en soldaten bracht wijziging in het rekruteringspatroon: steeds meer onervaren, berooide en slecht gevoede werkkrachten werden in dienst genomen en deze waren extra vatbaar voor ziekten en epidemieën.Het eten op de schepen was zout, calorierijk en vet. Het ontbrak aan vitaminen waardoor scheurbuik een belangrijke doodsoorzaak werd. Weliswaar ging er limoensap voor Vitamine C mee, maar ook dat bleek aan bederf onderhevig.  De gemiddelde dagelijkse kost aan boord van een VOC-schip bestond uit gort en pruimen, aangelegd met bier als ontbijt. Daarna waren er in de middag erwten, bonen en vet, soms gepekeld vlees en vis. Als avondeten aten ze de restjes op samen met brood en bier. De bemanning op een VOC-schip was verdeeld in zogeheten bakken. Met z’n allen aten ze met gesneden pollepels uit de houten bak. Wie te laat kwam, trof een lege bak aan en kreeg dan ook niks te eten. Meestal bestond zo’n bak uit zeven á tien man, die in teamverband ook allemaal werkzaamheden aan boord uitvoerden. Het aantal goed drinkwater was ook schaars op de schepen. Tot aan de kaap werd er voor 400 liter aan water per man meegenomen. Zeker in de warmere gebieden ging de kwaliteit van dit water snel achteruit. Als er te weinig water aan boord werd meegenomen, was dit een ernstige bedreiging voor de gezondheid van de bemanning en een belangrijke oorzaak voor ziekte en sterfte aan boord van de schepen.Elk lid van de bemanning aan boord van een VOC-schip had de beschikking over een scheepkist voorzijn persoonlijke bezittingen, kleding, extra voedsel en jenever. De grootte van zo’n scheepkist was afhankelijk van in welke rang je zat; hoe hoger je rang, des te groter je kist was waardoor je meer mee kon nemen. Het kwam regelmatig voor dat je kist gestolen werd waardoor je niks meer had. Op het schip was er maar een beperkte ruimte voor de bemanning en was het leven ruw en hard. Daarom stelde de VOC een aantal regels op voor het leven op een schip. Voor overtredingen van deze regels dreigden straffen, zoals geselen en brandmerken, maar het meest berucht waren het van de ra lopen of kielhalen, waarbij men de overtreder meerdere malen geboeid van grote hoogte in het water lieten vallen of onder het schip doorhaalde.Diefstal kwam ook regelmatig voor. Op deze vorm van ‘matennaaierrij’ stond als straf spitsroeden lopen: de gestrafte moest met ontbloot bovenlijf tussen twee rijen van mede-bemanningsleden door lopen, terwijl die er met roeden van puntig rijshout op los sloegen. Op de zwaarste misdaden stond de doodstraf.  Het ging dan om misdrijven als doodslag of homoseksualiteit. In de 18e eeuw is het aantal vertrekkers meer dan verdubbeld. De VOC had ook een steeds hoger percentage van het aantal beschikbare zeelieden in dienst in de Nederlandse havensteden, van 18% in 1680 naar een kwart van het aantal zeelieden in de Republiek aan het einde van de 18eeeuw. Door deze groei konden de Nederlandse provincies bij lange na niet voldoen aan de personeelsbehoefte van de VOC. Over de gehele periode gezien van de VOC kwamen er ongeveer 40% van de matrozen uit het buitenland en dat aantal was voor de zeelieden zelfs zo’n 60%. En in 1770 was 80% van alle soldaten die in dienst stonden van de VOC  uit het buitenland afkomstig. De omvang van het personeel van de VOC in Azië in de 18eeeuw werd ook alleen maar meer. In 1700 waren er 14204 mensen aan het werk in Azië, in 1780 waren er 17167 mensen in dienst van de VOC in Azië en drie jaar later in 1783 waren er 21825 mensen in loondienst van de VOC in Azië.In 1795, toen de VOC veel schepen, kantoren en gewesten overzee verloor aan de Britten, kwam de VOC onder curatele te staan van de staat, de in dat jaar opgerichte Bataafse Republiek. In 1799 liep het laatste octrooi af en vervielen alle bezittingen van de VOC aan de overheid, wat betekend dat de VOC toen was genationaliseerd.                      BeantwoordingHet is dus zo dat de financiën, het bestuur, de oorlogen en conflictjes en de omstandigheden op het schip en personeel allemaal factoren zijn waarom de VOC ten onder ging, voornamelijk door de oorlogen en conflictjes, want dat kostte altijd veel handel en geld, waardoor de financiën ook niet goed gingen en als je wilt voortbestaan als bedrijf, moet je voldoende geld tot je beschikking hebben om er goede dingen mee te doen, wat de VOC vooral in de 18e eeuw niet had. Ook waren er door omstandigheden niet altijd voldoende personeel en was het bestuur in sommige gevallen ook niet al te goed. Het leven aan boord was ook niet goed en er gingen ook redelijk veel mensen dood aan boord dus dat leverde de VOC ook niet zoveel op.c

x

Hi!
I'm James!

Would you like to get a custom essay? How about receiving a customized one?

Check it out